De Putkapel
In Vlaanderen zijn kapelletjes kleine religieuze gebouwtjes die vaak langs wegen, velden of dorpen te vinden zijn. Ze dienen als rustpunten voor gelovigen om te bidden of een kaarsje op te steken. Veel van deze kapelletjes zijn gewijd aan heiligen en worden vaak geassocieerd met lokale legendes of tradities. Sommige kapelletjes zijn eeuwenoud en hebben een rijke historie. Ze vormen vaak een belangrijk onderdeel van de regionale cultuur en het landschap in Vlaanderen.
In Sint-Denijs-Westrem staat zo'n kapel waar een historie aan vast hangt:

Het is het oudste en merkwaardigste van de gemeente. Het is gelegen aan de Putkapellestraat, links van de Derbystraat die uitliep op het vliegveld.
Rond deze historische kapel verrezen late de kunstateliers; de kapel was zowat het symbool van dit godsdienstig heropleving; de mystieke stuwkracht en de gelden van de toenmalige graaf Joseph de Hemptine waren de motor.
Deze heilige Sacramentskapel, in de volksmond t Putje, is een barokke kapel. Dit gebedshuis, opgericht in 1687, staat op de plaats waar gewijde hosties en cibories, gestolen in de Sint-Maartenskerk te Kortrijk, teruggevonden werden. De kapel was, tot de Tweede Wereldoorlog, een belangrijk bedevaartsoord waar men jaarlijks de Sacramentsdag vierde.
Een heropbouw (1958-1960) naar plannen van architect Adrien Bressers gebeurde na brand in 1944.
De kapel werd in 1996 als beschermd monument geklasseerd
De Historie
In 1686 pleegden drie kerkrovers in de nacht van 16 op 17 december een diefstal in de Sint-Maartenskerk te Kortrijk.
Het waren drie Gentse booswichten, de 44-jarige Pieter Bogaert, bijgenaamd Gros Pierre, was de bendeleider . De 29-jarige Frans Husdain was mede-inbreker en rover. Deze twee waren te paard. De 33-jarige Jan Melijn, bijgenaamd Grand Jean, was te voet en hield bij het roven de wacht.
Ze sloegen een raam in en zaagden een houten pilaar door die het koor van de kerk omgaf. Vervolgens brak Bogaert het tabernakel open en ontvreemdden er drie zilveren cibories, een zilveren monstrans, een zilveren kandelaar en een vierkanten zilveren doos. De Hosties van de ciborie strooiden ze uit op de grond in de Kerk en verborgen alles in twee reistassen. Toen sloegen ze op de vlucht en gingen te paard richting Gent.
Toen ze te Zulte aankwamen en het reeds begon te klaren besloten de rovers van elkaar te scheidden. Ze spraken af om mekaar terug te vinden in Gent. de laatste, Pieter Bogaert ging met de reiszakken met de gestolen goederen alleen op weg. In Maaltebrugge (Sint-Denijs-Westrem) bij Gent ontmoette hij een herder met zijn kudde. De schapen vormden een kring en knielden voor het Heilig Sacrament die in de zilveren doos in één van de zakken zat. In paniek gooide hij die zak weg in een waterpoel, of put, welwetend dat te Maaltebrugge, gelegen aan de toenmalige Oude Heirweg, op dergelijke diefstal de doodstraf stond.
Maar ook daar, aan de put, kwamen de schapen knielen!
Kortrijk sloeg ondertussen groot alarm en beloofde bovendien 100 rijksdaalders (pattaçons) aan diegene die de dief kon aanwijzen. Ook de magistraten van Gent en Oudenaarde werden op de hoogte gesteld. Zij verwittigden op hun beurt alle zilversmeden uit de omtrek. Het toeval wilde dat de buurman van Melijn, een schoenmaker die naar de vroegmarkt in Deinze trok, deze zo vroeg in de morgen, gans bezweet en schuw, te Petegem aantrof. 's Avonds, bij zijn thuiskomst hoorde de schoenmaker van deze kerkroof te Kortrijk en dacht onmiddellijk aan Melijn. 's Anderendaags ging hij dit melden aan de baljuw; deze liet Melijn opzoeken en de wachters troffen hem aan in de Mis van het Heilig Kerst. Hij werd dadelijk voor de magistraten gebracht en legde volledige bekentenissen af. Husdain werd aangehouden toen hij in een herberg aan het drinken was en pas twee dagen later werd de verklede Bogaert ingerekend. De bendeleider Bogaert werd op de derde Kerstdag gevankelijk naar Maaltebrugge gebracht en duidde de plaats aan waar hij de reistas met de vierkante zilveren doos, waarvan het deksel verwrongen was en waarin nog een groot aantal gewijde hosties zaten, in de poel had geworpen.
Priesters, door Mgr. de Horne afgevaardigd, brachten de hosties, samen met een grote toegestroomde volksmenigte, naar de Sint-Baafskathedraal waar ze werden overhandigd aan de abt van de Sint Pietersabdij.
1 januari 1687, in de bijtende kou en sneeuwval, werden de gewijde vaten in plechtige stoet met heel wat luister en eerbied te Zulte, aan de grens tussen oost- en West-Vlaanderen en van het bisdom Gent en Doornik overgedragen van Mgr. de Horne aan Mgr. de Choiseuil met een plechtige hulde van eerherstel in de Sint-Martinuskerk te Kortrijk. Er volgden acht dagen oefeningen tot ereboete.
De drie schurken, eerst opgesloten in de Chastelette op de Koornmarkt, werden bij rechterlijke uitspraak van de Schepenen van de Keure, ter dood veroordeeld. Dit gebeurde op de Koornmarkt op 17 januari 1687. Er was een grote volkstoeloop.
De twee heiligschennende rovers Bogaert en Husdain werden eerst op een blok de rechterhand afgehouwen en vervolgens levend verbrand aan een staak. Jan Melijn werd opgehangen. Hun lijken werden met een kar naar het Galgenveld [1]gevoerd en daar werden de twee eersten op een rad gelegd en de laatste aan een galg opgeknoopt. Verder werden al hun goederen "ten 's Heeren profijt" verbeurd verklaard.
De abt van de Sint-Pietersabdij te Gent, tevens opperpastoor en beschermheer van de parochie Sint-Denijs-Westrem, Maurus Verschueren, kreeg drie hosties uit deze poel in een zilveren piscis.
In mei 1687 werd op die plaats een mooie barokke kapel gebouwd die reeds in oktober van dat jaar werd voltooid. Op 12 oktober werden de Hosties door de abt van de St-Pietersabdij en in het bijzijn van de prelaten van de abdij van Drongen, van Baudelo, de Kapucijnen en Minderbroeders, plechtig naar de nieuwe kapel gebracht. Deze kleine bidplaats, de Heilig Sacramentskapel, werd later ook Putkapel of het 'Putje' genoemd. Paus Benedictus XIV verleende op 20 april 1758 een volle aflaat aan diegenen die de kapel zouden bezoeken op de vierde zondag na Pinksteren. Paus Clemens XIII verleende op 25 februari 1762 aan de leden van het 'Broederschap van het Allerheiligste Sacrament' dat in het 'Putje' werd opgericht, verschillende aflaten mits bepaalde voorwaarden.

Paus Clemens XIV verleende op zijn beurt een volle aflaat voor zeven opeenvolgende jaren, aan wie eenmaal per jaar op gelijk welke dag de Putkapel zou bezoeken. Het putwater dat men in de kapel kon oppompen bewerkstelligde vele genezingen.
De kapel kende een ware volkstoeloop tijdens de noveneweek van het Sacramentsfeest. In 1773 werd er rechts van de Heirweg, nu Kapellestraat, een herberg opgericht "het Peerdeken" die de bedevaarders voorzag van vlaggetjes en kaarsjes, Paternosters en allerlei wijgeschenken, maar ook hun honger en dorst stilde. Men kon miraculeus water nemen aan de pomp achteraan in de kapel dat uit deze poel kwam.
11 Het vroegere galgenveld van de heerlijkheid Sint-Pieters, lag tussen het vroegere spoor naar Kortrijk, de "De Pintelaan", en een nieuwe brede weg die er toepasselijk Krijgslaan genoemd werd.
In de nis boven de ingangsdeur stond het beeld van de Goede Herder dat verbrijzeld werd door de Sansculotten tijdens de Franse revolutie.
In 1833 kwam er dan het huidige Mariabeeld.
In 1884 liet graaf joseph de Hemptine er een gotisch koor van 6,50 meter bijbouwen, schonk de mooie brandramen en een gotisch altaar, vervaardigd door Leopold Blanchaert. Op de prachtige vroegere balustrade voorzien van barok sculpteerwerk, bevond zich het wapenschild van de abt van Sint-Pieters, tevens stichter. Leonard Bressers bracht twee wandschilderingen aan in 1897: links van het koor "Het Laatste Avondmaal", rechts de "verering van het Heilig Sacrament door de Engelen". Op de linkerzijwand zien we de weergave van de gestolen vaten. Dit schilderij werd door de stad Kortrijk geschonken.
De kapel verwisselde vaak
van eigenaar, en bleef het vaak lange tijd gesloten. Dit zorgde dat de devotie
en de bedevaart er naartoe afnam.


Bronnen.
· Kerkarchief – Sint-Denijs-Westrem
· Maalte – VZW Buurtcomité "Flanders Expo
· Maaltebrugge deel 1