
Kroegen, herbergen en jeneverhuizen in Vlaanderen tijdens het Oostenrijks bewind
Deel 3 De dorpsherberg - 2
De ene herberg was natuurlijk de andere niet. Ook tijdgenoten zagen een duidelijk onderscheid: er waren 'goede' en 'quade' herbergen. In veel landen waren de verschillende soorten herbergen redelijk verankerd in het systeem op basis van de drank die verkocht werd en de omstandigheden waarin dat gebeurde: In Frankrijk had men keuze uit een taverne, cabaret, limonadier en guingette. In latere geschriften en advertenties vinden we nog al eens verwijzingen naar 'cabaret' terug. In Gent gebruikte men nogal graag Franse benamingen ten tijde na de inlijving in 1795
In Engeland waren er alehouses, inns en taverns, later aangevuld met coffee houses en gin shops. In de Nederlanden bestond er niet zo'n strakke indeling. Er waren nochtans zo ongeveer drie categorieën drankhuizen: herbergen, brandewijnhuizen en koffiehuizen. Die laatste categorie was vooral voorbehouden voor beter gegoeden in de steden, in een plattelandsdorp als Zwijnaarde was er geen koffiehuis. Het onderscheid tussen de herbergen en brandewijnhuizen werd, zoals ik al aanhaalde, vooral regulatief gemaakt: drankhuizen met een vergunning werden 'herberg' genoemd, die zonder vergunning 'brandewijnhuis'. We kunnen besluiten dat er wel verschillen waren tussen beide categorieën: herbergen lagen meer langs grote wegen, de brandewijnhuizen meer langs binnenwegen. De herbergen waren doorgaans ook groter in omvang. In het algemeen richtten brandewijnhuizen zich meer op lagere klassen dan gewone herbergen.
De Zwijnaardse herbergen hadden een aantal duidelijke taken te vervullen. In de eerste plaats was dat natuurlijk het serveren van drank. Dat was vooral alcoholische drank: zuiver drinkbaar water was, zoals bekend, zowel in de stad als op het platteland schaars in de vroegmoderne tijd. Als het al voorradig was, werd het vaak smakeloos gevonden. Voor de elite werd het, net als koffie, thee en chocolade, vanaf het einde van de achttiende eeuw wel een prestigieuze drank in koffiehuizen, maar zoals vermeld bestonden die niet in Zwijnaarde. Het resterende niet- alcoholische alternatief was melk. Het probleem daarmee was de beperkte houdbaarheidsduur, waardoor het niet echt transporteerbaar was. Op het platteland zelf was dat niet meteen een probleem: bij vele gezinnen werd 'melck' of een 'melckcuype' teruggevonden. De andere beschikbare dranken waren alcoholisch: bier, wijn en brandewijn. Om die dranken te consumeren kon de dorstige enkel in de herberg terecht: drankkleinhandels bestonden in de achttiende eeuw immers niet. Enkel rijke inwoners, die zich een volledig vat konden veroorloven, konden hun bier, wijn of brandewijn rechtstreeks bij de brouwer kopen Alle anderen moesten naar de kroeg om hun dagelijkse portie drank op te halen, of het ter plaatse te consumeren.